Elke vier jaar klinkt in gemeentehuizen hetzelfde ritueelzinnetje: “Nieuwe ronde, nieuwe kansen.” De verkiezingsposters zijn nog maar net van de lantaarnpalen gehaald, of de oude reflexen staan alweer klaar als een slecht geoliede machine. Een nieuwe raad, een nieuw college, en toch dansen we binnen een week weer de vertrouwde egeltjesdans. Coalitie hier, oppositie daar. De strijd om het pluche. De subtiele druk om vooral “mee te bewegen met het college”.
En daar zit dan dat nieuwe raadslid. Vol idealen, vol energie, vol plannen. Maar voordat iemand vraagt waarom hij of zij eigenlijk de raad in wilde, wordt er al een stapel stukken van 600 pagina’s op tafel gelegd. “Veel lezen, hard werken, dossiers eigen maken.” Alsof raadswerk een soort monnikenorde is waarin je pas meetelt als je nachtenlang door beleidsnotities hebt geworsteld.
Lees verder