Haat als motor van de lokale democratie

We leven in een van de rijkste landen ter wereld. Maar rijkdom brengt niet alleen voorspoed, ze brengt ook angst. Angst om te verliezen, angst voor armoede, angst voor de ander. Het is die angst die vaak de wortel vormt van haat. En politici weten maar al te goed hoe ze “die wortel” moeten voeden.

Voor Kerst mag je best wel een Bijbels gezegde in herinnering roepen: “Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het Koninkrijk Gods binnen te gaan.” Het is een waarschuwing: rijkdom maakt kwetsbaar, en kwetsbaarheid zoekt een uitweg. Vaak in de vorm van vijandschap. Politici gebruiken dat door haat-boodschappen. Laat staan dat we nog toekomen aan de keerzijde van rijkdom namelijk dat het ook tot een onderlinge verplichting leidt. Filosofie, religie, ethiek werken dat al eeuwen uit.

Haat als democratische dynamiek

Natuurlijk conflict is niet alleen destructief. Grote denkers als Plato, Machiavelli en Hannah Arendt wezen erop dat vijandschap en conflict ook een rol spelen in de vitaliteit van democratie. Maar slaat het conflict om in haat dan is dat voor Plato juist een symptoom van verval.  Het is een kracht die de democratische orde corrumpeert en uiteindelijk de weg vrijmaakt voor tirannie. Machiavelli ziet haat en conflict niet alleen als gevaar maar ook als bron van vitaliteit voor de democratie. Dus functioneel.  Arendt  wijst erop dat haat pluraliteit vernietigt en waarschuwt voor het passief worden van burgers en aanzet tot destructieve uitsluiting.

Zelfs wanneer je nog denkt aan enige functionaliteit is kenmerkend voor het huidige tijdsbeeld dat conflict al te gemakkelijk omslaat in haat. Haat dat aanzet tot destructieve uitsluiting en de publieke ruimte en het vermogen tot samenleven vernietigt.

Zo maar een paar voorbeelden:

  • Het Polenmeldpunt: weliswaar jaren geleden, maar een politieke actie die inwoners uitnodigde om hun buren te wantrouwen. Het legitimeerde angst en zette groepen tegen elkaar op.
  • Bedreigingen aan een schooldirecteur: omdat een docent kritiek had op een leerling, werd de directeur met de dood bedreigd. Angst om gezichtsverlies werd omgezet in haat.
  • Politiebewaking voor een raadslid: een volksvertegenwoordiger die zijn werk niet meer veilig kan doen, omdat inwoners hun frustratie omzetten in dreigementen.
  • Verzet tegen asielzoekers: inwoners die het frame van vrees voor hun dochters kiezen, zodra er een opvanglocatie in de buurt komt. Angst wordt hier direct vertaald naar vijandschap tegen kwetsbare nieuwkomers.
  • De digitale subculturen waar bijvoorbeeld memes en gamifactie haat en geweld normaliseren
  • De erosie van vrouwenrechten en gendergelijkheid, met bijvoorbeeld de steeds meer genormaliseerde haat tegen LHBTIQ personen

Dit zijn geen incidenten meer, maar patronen. Het zijn tekenen dat conflicten omslaan in haat . Haat dat een  gif is dat de fundamenten van de democratie aantast.

Waar blijft het leiderschap?
Voorbeelden te over in de geschiedenis die laten zien hoe ingewikkeld het is en hoeveel  slachtoffers het soms vraagt om zo’n patroon om te buigen. Een eerste vraag is dan waar is de politiek die empathie toont? Waar zijn de debatten waarin links en rechts in conflict elkaar nog voor rotte vis konden uitmaken zonder in haat te vervallen en daarna samen een borrel te drinken? Dat soort democratische vitaliteit lijkt verdwenen, vervangen door intrinsieke haat naar elkaar, naar uitsluiten. Ook de ambtelijke organisatie kan zich in deze situatie niet langer verschuilen achter de muren van het stadhuis. Bestuur vraagt om nabijheid. Om ambtenaren die niet alleen van station naar bureau pendelen, maar actief burgerschap stimuleren door zelf ook zichtbaar te zijn. Die in verbinding staan met inwoners, stap voor stap angst wegnemen, en zo bijdragen aan een sprong voorwaarts.

Conclusie:
Conflict kan een motor zijn voor democratie. Ze kan energie geven, mobiliseren, en zelfs verandering afdwingen. Maar als conflict omslaat in haat die corrumpeert, dan rijdt de democratie zich vast. Het is tijd dat politici en ambtenaren de angst bij de wortel aanpakken, en haat niet langer laten woekeren. Want de vraag is niet of haat een gif is in onze democratie. De vraag is: waar zijn de moedige politici en ambtenaren  die tegengif inzetten.

Tegengif voor haat
Het tegengif tegen haat is geen simpele pil, maar een houding. Het vraagt om moedige keuzes van bestuurders, politici en ambtenaren die niet wegkijken, maar de angst bij de wortel durven te pakken/benoemen. Het vraagt om leiders die niet meedeinen op golven van wantrouwen, maar die vertrouwen terugbrengen door nabijheid, eerlijkheid en empathie. Democratie leeft niet van consensus alleen, maar van het vermogen om verschil te verdragen en conflict te kanaliseren. Wanneer dat vermogen verdwijnt, wordt haat de dominante energie. Het is dan de taak van leiders om de publieke ruimte opnieuw te openen, zodat burgers elkaar niet langer zien als vijanden maar als medebouwers van een gezamenlijke toekomst. De vraag is dus niet of haat een motor kan zijn van democratie – dat is ze al. De vraag is of wij de moed hebben om die motor te sturen, zodat ze energie geeft in plaats van gif verspreidt. Dat vraagt om politici die niet bang zijn voor het ongemak van dialoog, en om ambtenaren die de straat op gaan om angst om te zetten in vertrouwen. Alleen zo kan lokale democratie weer een oefenplaats worden voor vrijheid en verantwoordelijkheid. Niet een arena van haat, maar een gemeenschap waar conflict mag bestaan zonder te corrumperen. Waar rijkdom niet leidt tot angst, maar tot solidariteit. Waar leiderschap niet wegduikt, maar tegengif inzet. Misschien daagt de Kerstgedachte ons daar wel toe uit.