Decentralisaties. Een overwinning voor de technocratie.

Zo onder de kerstboom is het de tijd voor het lezen van beleidsnota’s over de 7-1decentralisaties. Dit met jaar 2014 als een belangrijk decentralisatie jaar in het vooruitzicht. Met als hoofdvraag voor de griffier, wat en hoe adviseer ik de gemeenteraad om in positie te zijn op dit dossier.

Ter voorbereiding ben ik bij verschillende gemeenten gaan zoeken naar documenten over decentralisaties. Wat al een klus op zich is. Het doorlezen van honderden pagina’s  begint met nieuwsgierigheid. Maar slaat al snel om in het gevoel dat veel doorzettingsvermogen wordt gevraagd.

Gelukkig zenden in dezelfde periode, collega griffier Josee Gehrke en Rob Gilsing van het Verwey Jonker instituut een publicatie onder de titel “goede raad voor een sterke raad”, ’10 tips voor gemeenteraden bij transitie jeugdzorg.’  Maar dat neemt mijn primaire beeld niet weg dat het voor raadsleden ondoenlijk wordt zonder ondersteuning op deze dossiers zinvol te acteren.

Maar welke ondersteuning is dan gewenst. Aan de decentralisaties wordt al enkele jaren gewerkt. Jeugdzorg en AWBZ en de Participatiewet zijn de onderwerpen. Zoals zo vaak is het Rijk niet op tijd klaar en heeft het er alle schijn van dat veel zaken op het laatste moment worden geregeld. De geschetste verwachting vanuit Rijk en ook gemeenten is dat de ‘eerste overheid’ ( de gemeenten) zaken beter kan regelen. Dat de uitvoering dicht bij de burger brengen leidt tot een hogere kwaliteit, voor minder geld. De gemeentebegrotingen dijen uit met vele miljoenen. En spreken we over de rol van de raad dan is de kans groot op ronkende verhalen over visievorming en kaderstelling. Wethouders doen inmiddels hun best goed voorbereid te zijn op de omslag. De gemeentelijke beleidsnota’s zijn vaak van een mooie kwaliteit. Met veel doelen en resultaten, waar je niet tegen kunt zijn. Een paar voorbeelden uit laten we het de gemeente Landbeek noemen. Deze gemeente gaat zorgen dat “meer jeugdige Landbekers opgroeien tot zelfredzame Landbekers’. En ‘dat meer Landbeker opvoeders zelfredzaam zijn’. Of ‘dat hulp voor jongeren in Landbeek sneller beschikbaar is’. De gemeente gaat ‘bereiken dat kinderen in Landbeek gezond en veilig opgroeien’  Of dat in Landbeek ‘meer mensen aan het werk zijn, minder mensen in de uitkering/bijstand’. Etc. Bij elke gemeente zijn deze nota’s doorspekt met dergelijke taal. Even nog dacht ik dat van raadsleden gevraag gaat worden hun beelden te schetsen over de mogelijkheid het beleid in te vullen vanuit een eigen(politiek gekleurde)  maatschappij- en mensvisie. Maar mij is duidelijk dat  dat volstrekt niet de bedoeling is. Beter dan met een opmerking die ik hoorde van een wethouder in een discussie over decentralisatie kan ik dat niet duidelijk maken. De wethouder merkte op “dit onderwerp ( decentralisatie jeugdzorg) is veel te belangrijk om te politiseren’.  De zaal met bestuurders knikte instemmend. De eerlijkheid gebied te zeggen dat ook veel raadsleden daar geen belang bij lijken te hebben.

Dus rest een advisering in de details van de beleidsnota’s. En dat vraagt veel vakkennis. Betrek daarbij ook nog eens de toenemende vlucht van regionalisering in dit dossier en dan wordt duidelijk dat het een overwinning wordt voor de technocratie. Door de technocratisering in dit dossier wordt de kenniskloof tussen gekozenen en bestuurders nog eens extra geaccentueerd. Voor raadsleden is het ondoenlijk te doorgronden wat de richting is die wordt ingezet, waar de risico’s zitten, waar het de samenlevingsopbouw raakt etc.. Laat staan hoe de financiële opbouw in elkaar zit.

Als griffier moet ik dit onderwerp er als het ware ‘bij ‘doen. Terwijl colleges zich door een hele kring van adviseurs laten omringen. Dat maakt het voor de griffier onmogelijk zo te werken dat gemeenteraden in positie komen dat de vereiste tegenwicht en tegenspraak wordt gegeven. Dat maakt het ondoenlijk weerstand te bieden aan het risico te worden gezogen in het technocratische domein. Ook de  waardevolle tips in de hierboven genoemde publicatie maken duidelijk hoe groot het risico van het laatste is. Is het dan niet het beste als griffier terug te gaan naar de oorsprong van de decentralisaties en  een beperkt aantal vragen te formuleren als:

–        Wat gaan wij als gemeente beter doen  dan voor de decentralisatie. En waar kan ik dat aan herkennen?

–        Wat gaan wij als gemeenten niet meer doen, dat voor de decentralisatie wel gebeurde? En waarom die keuze?

–        Wat gaan wij als gemeente minder doen dan voor de decentralisatie?

–        Waar zitten de financiële risico’s?

–        Waar kan ik ( als raad(slid) straks herkennen dat het college de doelen wel of niet haalt? En hoe vaak en waar rapporteert het college?

–        Wat verandert er in onze gemeente(samenleving) door deze decentralisaties? Enz.

–        Hoe krijg en houd ik als raad(slid) zicht en invloed op de (kwaliteit van de ) regionale uitvoering?

Eigenlijk is de meest essentiële vraag die de griffier bij zichzelf moet toelaten de volgende; wat moet ik doen om te bereiken dat over enkele jaren – bij de eerste evaluatie over de decentralisatie –  een opmerking is terug te lezen dat de goede positionering van de gemeenteraad en de discussie en besluitvorming die daar heeft plaats gevonden, een belangrijke succesfactor is geweest voor de goede uitvoering van taken voor onze gemeentelijke inwoners?

Degene die het antwoord weet mag het zeggen.  Maar spannend wordt het wel in 2014 zo veel is wel duidelijk.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *